Het meten van je bloeddruk is steeds eenvoudiger geworden. Vroeger moest je er voor naar je huisarts of een ziekenhuis in de buurt, nu is het een handeling die je eenvoudig thuis kunt uitvoeren. Een manchet om je arm, wat knopjes intoetsen en meten maar. Wat er daadwerkelijk wordt gemeten weten veel mensen niet, terwijl dat best interessante materie is!
De bloeddruk wordt altijd weergegeven met een waarde als 80/120: 120 over 80. Die twee waardes, in die voorbeeld 80 en 120, worden apart bepaald en stellen allebei een ander gegeven voor. Om met de 80 te beginnen, deze geeft de onderdruk aan. Deze druk, die in wetenschappelijke kringen ook wel de diastolische druk bekend is, geeft de vloeistofdruk op het moment dat de hartkamers ontspannen zijn. Het tweede getal, 120, staat voor de systolische druk of, in normaal Nederlands, de bovendruk. Die wordt gemeten op het moment dat de hartkamers wel kracht uitoefenen en de hartspier dus samenknijpt. Het bloed begint dan aan de reis door het lichaam. Overigens kan het hart alleen het niet voor elkaar krijgen om het bloed helemaal rond te pompen. Het hart wordt daarbij geassisteerd door spiertjes in de wanden van slagaders, die het bloed helpen om de goede kant op te gaan.
De eenheid waarin de bloeddruk wordt gemeten is millimeters kwikdruk, vaak afgekort tot mmHg. Volgens moderne maatstaven is het een achterhaalde eenheid, een eenheid als (kilo)pascal zou beter kloppen, maar in de geneeskunde wordt ‘ie nog volop gebruikt. met een druk van 120 mmHg wordt bedoeld dat de gemeten druk gelijk is aan de druk die een kolom van 120 millimeter hoogte, gevuld met kwik, zou geven.