Waar de kleur van gebruikte olie een techneut informatie kan geven over de conditie en eventuele mankementen van een motor, dient het bloed die rol bij de mens. Aan de concentraties van bepaalde stoffen die in het bloed aanwezig zijn kan veel, heel veel over je gezondheid worden afgeleid. Daarom is bloedonderzoek ook een van de eerste stappen die men neemt bij een moeilijk te diagnosticeren aandoening of ziekte.
De meest voorkomende vorm van bloedonderzoek is ‘bloed prikken’, een handeling waar zelfs menig stoere vent met wat huivering naar uitkijkt. Er is echter niet zoveel bijzonders aan zo’n onderzoek. Een verpleegkundige of arts brengt simpelweg een holle naald in het bloedvat, wat gevoeld wordt als een prik. Omdat deze naald vacuüm is (er zit dus geen lucht in) zuigt deze, net als een pipet, meteen een aantal druppels bloed op. Hoewel het eruitziet als opzuigen is dat eigenlijk geen goede benaming. Er wordt namelijk niets gezogen: vanwege het drukverschil stroomt het bloed vanzelf in de holte in de naald.
Voor de werkelijke prik, het inbrengen van de naald, vind nog een belangrijke handeling plaats. Er wordt namelijk een stuwband aangebracht, die ervoor zorgt dat het bloed (tijdelijk) minder snel kan terugvloeien naar het hart. Als dat niet zou gebeuren was bloed prikken zo goed als onmogelijk en zou de naald met dezelfde snelheid als dat ‘ie volstroomde, ook weer leeg raken.
Na het aftappen van de nodige druppels bloed wordt het in een luchtdicht reageerbuisje opgeslagen. Om te zorgen dat het niet stolt (een natuurlijk eigenschap van bloed) worden er een aantal chemicaliën toegevoegd. Welke dat is hangt af van het doel van het onderzoek. Het is immers niet de bedoeling dat het gebruikte anticoagulans de uiteindelijke onderzoeksresultaten beïnvloed.